In his studio, Kasper De Vos’ collages, drawings and sculptures built a colorful and rather uncanny environment where vibrant imaginary landscapes were deeply rooted down by everyday absurdities. A visual storyteller, De Vos utilizes serendipity, surprise and salvaged social remnants as key elements in his process. Materials and idea are gathered on the natural route of any given day, and classical sculptural forms (such as base, bust, and body) are incorporated into odd combinations of contemporary throwaways.

A bulk of his artistic production, including miniature utopian mock-ups and works on paper, are classified as studies for future sculptures. Everything is material for something else and these sculptures tend to be constructed from found and frequently perishable materials; leftovers that De Vos transforms to make humorous reflections on the awkward intersections between culture and consumerism. Sandwiches become tables, plastic water bottle crates act as the base of temples, and raves are reduced to totemic systems (what de Vos called “Native Kitsch”) as elements from the artist’s environment are removed from their habitat and reassembled. Throughout his practice, De Vos flirts playfully with filth, cloaking serious social issues with a light hearted type of Trojan horse aesthetic where basic colors and forms carry questions about materials, motivations and social phenomena. He is a sculptor who seems to want to give away an object’s secrets.

As recurring elements in his daily routine, folklore and food play a significant role in his practice and the artist’s fascination with the latter goes beyond eating, leading him to activities like dumpster diving and selling vegetables every Friday in the market place. These experiences offered reminders that what we eat is usually coupled to what we buy and that while our dinner may speak to familiarity, folklore, pleasure and cultural pride, it also addresses economic and social contradictions like starvation and systemic overproduction that further contributes to mountains and mountains of waste.

De Vos seems to have a lot of fun diving into those mountains and takes his lessons from the market to heart when he explains that “part of the work is clearly about selling food and how to present it.”

Harlan Levey,

Een gedrongen ei

Enkele woorden over het werk van Kasper De Vos

Volgens de persdienst van De Brakke Grond maakt Kasper De Vos (°1988) “intellectueel complex” werk. Gelukkig zag ik onlangs, tijdens de groepstentoonstelling ‘Listening to the Form’ bij Panthera Today, een werk van hem in het echt. Dit werk bevatte een prachtig geboetseerde voorarm, anatomisch correct, maar virtuoos, schijnbaar snel aangezet. De arm, die aan de bovenzijde werd afgezoomd met een stukje hemdsmouw, leek in de lucht te zweven. Onderaan leek hij een vuilniszak te dragen. Op het eerste gezicht, en afgebeeld op het internet, doet dit werk zich voor als een gimmick. Would-be theoretici zien er dan ook algauw een kritiek in op onze wegwerpmaatschappij, kritiek die ze vermoedelijk als “intellectueel complex” bestempelen omdat het inderdaad enig pseudo-intellectueel bochtenwerk vereist om de zogenaamd maatschappijkritische ‘inhoud’ van deze sculptuur in woorden te vatten. Grasduinend op het wereldwijde web vind ik inderdaad uitspraken terug van de kunstenaar, waarin die zijn hamburger-sculpturen verklaart vanuit het feit dat hij graag eet en dat er deze dagen wel erg veel gegeten schijnt te worden. Gelukkig maar, denk ik dan, want je wordt geen potige kunstenaar op basis van een zuinig toegemeten, glutenvrij en politiek correct prakje. Ah, de mythe van de duurzaamheid!

Het enige wat werkelijk duurzaam is in deze wereld, vrees ik, is de kunst. Wie ‘Leo Africanus’ leest, en daarbij getuige is van de teloorgang van tientallen antieke volkeren en hun culturen (zodat we alleen nog kunnen dromen over het voorkomen van Circassische blondines, Numidische boogschutters en slingeraars uit de Balearen), beseft dat de geschiedenis niet onafwendbaar afstevent op een klasseloze maatschappij, maar de wereldgeest alleen verwerkelijkt in de hegemonie van Coca Cola, Nestlé en Monsanto. Overzien we de restanten van dit aanhoudende, beschamende débacle, dan moeten we echter vaststellen dat alleen de piramides overblijven, de kerken, de schilderijen, de beeldhouwwerken, de juwelen, de boeken en de muziek.

Niet de zogenaamd intellectuele explicaties komen tot ons, bedoel ik, of de verspilde maatschappijkritiek, maar wel beelden die koppig weerstand bieden en die, omdat niemand ze begrijpt, blijvend gekoesterd worden als belichamingen van onze verwarring. De sculpturen van Kasper De Vos zijn goed gebakken. Ze zijn sensueel, dansant en grappig. Toch vroeg een vooraanstaand kunstmens hem onlangs wanneer hij nu eens professioneel ging worden. Waarschijnlijk omdat die man niet kan zien dat de ‘artburgers’ die De Vos in zijn hamburgertenten verkoopt sublieme, sculpturale schetsen zijn. Probeer zelf eens zo’n ‘hamburger’ te maken, denk ik dan.

De Vos is een begenadigd kunstenaar, die het beeldhouwen ernstig neemt, maar grappig werk durft maken. Op zijn sterkst is hij wanneer geboetseerde

lichaamsdelen verbonden worden met readymades om tot groteske stapelingen te komen. De logica achter deze stapelingen is fysiek. Ze komt bijvoorbeeld ook voor in de sculpturale installatie ‘X en Y’ van Guy Rombouts (deel van de collectie van het M HKA), die bewonderd werd door Anthony Caro: dingen gaan bij elkaar horen omdat ze in elkaar passen, omdat ze elkaar verlengen, omdat ze met elkaar verbonden kunnen worden. Zo herkennen we in een sculptuur van De Vos een kapstok, die wordt aangesloten op een stuk paraplu, een stofzuigerbuis, de achterzijde van een Thonet-stoel, een verwarmingsbuis en een bierfles. Een ander werk, een fontein, bestaat onder meer uit drie gestapelde blauwe kratten die met spanriemen worden vastgeklemd op een lastafel. De Vos vertelt dat hij elke dag voorbij het Gentse Belfort fietst en besloot deze kratten te gebruiken omdat hun uitsparingen hem aan boogramen deden denken. Pas bij nader toezien zie je dat hij ook de binnenzijde van de kratten heeft bewerkt en dat de toren bekroond wordt met de ingewanden van een van de kratten. Zo ontstaat een speels fort, waarover men zou kunnen schrijven dat het de fontein behoedt voor de vijanden van de duurzaamheid.

Tijdens twee recente bezoeken aan ’s mans atelier was ik getuige van het ontstaan van een prachtige sculptuur. Eerst zag ik hoe ze tot stand kwam: als een kip draaiend aan een spit werd een brok piepschuim overgoten met gips tot de zwellende contouren langs een metalen mes scheerden dat, zoals bij traditioneel stafwerk, het overtollige gips wegsneed. Aldus ontstond een eivorm. Bij mijn tweede bezoek zag ik hoe dit ‘ei’ te ruste was gelegd op een gehalveerd palet en een gevouwen luchtmatras. Tot slot was het geheel verbonden met een spanriem. Als briljante bekroning van deze sculptuur, althans voor mij, toont deze spanriem zich aan de voorzijde als twee parallelle en aan de achterzijde als gekruiste bretels, waardoor we ineens te maken krijgen met een figuur. De Vos vertelt dat zijn vriendin hem heeft gevraagd een van beide openingen van het ‘ei’ dicht te metselen. Ik zie waarom. Het ei is op een verdachte manier gedrongen. Het spreekt over een buik en over andere schone en grootse zaken die we niet willen benoemen uit eerbied voor het mysterie. Hier heeft weer een beeldhouwwerk gesproken zonder dat de kunstenaar het in de gaten had. Ik hou van deze momenten. Ze bewijzen dat onze handelingen spreken zonder dat we daar veel intellect bij vandoen hebben (zoals Hannah Arendt ons gelukkig heeft uitgelegd).

Hans Theys

Montagne de Miel, 1 april 2018